De toekomst behoort niet aan grondbezitters, maar aan transformatiebouwers
Over onzekerheid, commoditisering en fluïde architectuur.
De aanleiding voor deze reflectie was een titel in De Tijd, waarin werd verwezen naar het werk van Mike Bird en zijn boek The Land Trap. De stelling: grond- en woningbezit zullen opnieuw de politiek beheersen.
Het is een krachtige kop. Ze appelleert aan historische patronen. Aan de renteniersmaatschappij. Aan de terugkeer van land als machtsinstrument. Het idee dat wie grond bezit opnieuw de toekomst bezit, is verleidelijk. Het klinkt als een wetmatigheid.
Maar we moeten voorzichtig zijn met historische analogieën die als toekomstvoorspelling worden gepresenteerd.
Het is niet omdat een economische elite via een kwaliteitskrant haar analyse – of misschien haar wensdroom – communiceert, dat we die ook moeten internaliseren als onafwendbaar scenario. Narratieven hebben macht. Zeker wanneer ze worden uitgesproken door stemmen die zelf stevig verankerd zijn in financiële markten en vermogensstructuren.
Het idee dat grond opnieuw de dominante determinant wordt, past comfortabel in een wereldbeeld waarin bezit primeert op transformatie. Waar accumulatie belangrijker is dan adaptatie. Waar schaal belangrijker is dan intelligent gebruik.
Maar de realiteit die ik vandaag zie, wijst in een andere richting.
We leven in een economie waarin kapitaal mobieler is dan ooit. Financiële activa bewegen wereldwijd in fracties van seconden. Technologiebedrijven creëren enorme waarde zonder fysieke footprint. Intellectueel eigendom schaalt sneller dan beton. Het structurele rendement van de voorbije decennia zat niet in klassieke residentiële percelen, maar in financiële en technologische activa.
Grond is schaars, ja. Maar kapitaal is vloeibaar. En vloeibaarheid wint van fixatie.
Wat vandaag zichtbaar wordt, is geen hernieuwde obsessie met grond, maar een verschuiving in hoe ruimte wordt gewaardeerd. De elite van gisteren investeerde in grote percelen en ruime villa’s in suburbane context. Maar die typologie verliest vanzelfsprekendheid. Ze is energetisch zwaar, onderhoudsintensief, moeilijk liquide. Jonge stedelijke kopers zoeken nabijheid, identiteit en efficiëntie. Vermogende vijftigers kiezen vaker voor mobiliteit, voor het buitenland, voor een compacte pied-à-terre in een stad of aan zee. Ze kopen geen meters meer. Ze kopen flexibiliteit.
Grond wordt ballast wanneer ze niet meebeweegt met leefstijl.
Tegelijk zie je hoe bestaande woningen worden opgesplitst, gedeeld, getransformeerd. Migranten wonen samen. Oude villa’s worden meergezinswoningen. Niet uit ideologie, maar uit pragmatiek. Niet om grond te accumuleren, maar om ruimte efficiënter te benutten. De economische logica verschuift van bezit naar benutting.
Wat hier beweegt, is geen honger naar land. Het is een reactie op onzekerheid.
Mensen zijn onzekerheidsmoe. Energieprijzen, inflatie, geopolitieke spanning, complexe regelgeving, fiscale druk — het creëert een permanente mentale ruis. In zo’n klimaat zoeken mensen geen heroïsche eigendomsposities. Ze zoeken houvast. Warmte. Duidelijkheid.
Daar ontstaat commoditisering.
Niet als oppervlakkigheid, maar als bescherming tegen complexiteit. Mensen willen voorspelbaarheid. Transparantie. Afgebakende keuzes. Ze willen niet verdwalen in technische dossiers, onverwachte meerkosten of onduidelijke energielasten. Ze willen een woning die rust geeft, niet een investering die permanente alertheid vereist.
Wanneer Bird spreekt over de “land trap”, veronderstelt hij dat grond opnieuw de kern van machtsvorming wordt. Maar misschien zitten we in een andere val. Niet de land trap, maar de rigidity trap. De val van structuren die niet meer kunnen meebewegen met demografie, energie-eisen, mobiliteit en mentale vermoeidheid.
En misschien moeten we durven zeggen dat het niet omdat een elite zich comfortabel voelt bij het idee dat grond opnieuw centraal staat, dat dat ook het structurele traject van de samenleving zal zijn.
De geschiedenis herhaalt zich nooit lineair. Ze muteert.
Vanuit die optiek kijk ik ook naar architectuur en wonen.
Als grond werkelijk opnieuw de dominante machtsfactor zou worden, dan zou accumulatie de logische strategie zijn. Maar wat ik zie, is dat mensen zoeken naar omkeerbaarheid. Naar flexibiliteit. Naar ruimtes die zich aanpassen aan levensfases. Naar woningen die warmte uitstralen zonder hen vast te ketenen aan één scenario.
Daar positioneren wij ons met NOIND.
Niet als ontwikkelaar van vierkante meters, maar als bouwer van fluïde architectuur. Architectuur die snel kan worden omgeturnd. Die recycleerbaar is. Die digitaal wordt ontworpen zodat aanpassingen geen destructieve operaties worden, maar evoluties. Architectuur die vertrekt vanuit gebruik en niet vanuit accumulatie.
Fluïde architectuur erkent dat de koper van vandaag zich vaak ontheemd voelt. Niet omdat hij geen grond bezit, maar omdat hij geen stabiliteit ervaart. Hij wil een woning die meebeweegt met zijn leven, niet een monument dat hem gevangen houdt in één tijdsbeeld. Hij zoekt warmte, maar ook wendbaarheid. Identiteit, maar zonder rigiditeit.
Door digitaal te co-creëren en fysiek te bouwen met het oog op hergebruik en transformatie, proberen we precies dat te realiseren: woningen die onzekerheid dempen in plaats van vergroten. Niet door meer grond te bezitten, maar door bestaande ruimte intelligenter te gebruiken.
De toekomst van vastgoed zal niet draaien rond wie de meeste percelen controleert. Ze zal draaien rond wie bestaande gebouwen kan herdefiniëren tot flexibele, energie-intelligente, mensgerichte omgevingen.
Grond als statisch bezit is geen politiek toekomstmodel. Grond als drager van adaptieve architectuur misschien wel.
De strijd van de komende decennia gaat niet over accumulatie. Ze gaat over aanpassing.
En daarom geloof ik dit:
De toekomst behoort niet aan grondbezitters, maar aan transformatiebouwers.